Tram

Uit OV in Nederland Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Tram van GVB in Amsterdam.

Een tram is een voertuig dat rijdt op sporen, net als een trein of een metro. Vergeleken met het treinverkeer zijn de eisen waaraan de voertuigen en de infrastructuur moeten voldoen lager. In veel gevallen, met name bij de 'stadstram' die openbaar vervoer binnen een gemeente of agglomeratie verzorgt, liggen de rails in de openbare weg, zodat de tram tussen het andere verkeer rijdt. In dat geval worden trams, in tegenstelling tot andere spoorvoertuigen, met richtingaanwijzers en remlichten uitgerust.

Inzet

De meeste trams rijden in steden en bijbehorende voorsteden. In het verleden waren er ook veel interlokale tramlijnen, maar deze zijn in de loop der tijd vervangen door busdiensten. Niet alle interlokale tramlijnen zijn in Nederland verdwenen. Lijn 1 tussen Den Haag en Delft kan als laatste tramlijn beschouwd worden die over het 'platteland' tussen twee plaatsen reed. In het buitenland zijn er op diverse plaatsen nog interlokale trams te vinden, bijvoorbeeld in Charleroi of Hannover.

Technologie

Aandrijving

Een tram kan op verschillende manieren aangedreven worden. Over het algemeen worden bijna alle trams aangedreven door elektromotoren. Deze betrekken de stroom in bijna alle gevallen van de bovenleiding, maar hierop zijn recenter diverse varianten op gekomen, zoals een stroomleiding in de grond, inductie of supercondensatoren waarmee een bovenleidingloos traject mee overbrugd kan worden.

Een variant die in Duitsland voorkomt is de tram die naast elektromotoren ook dieselmotoren heeft, waarmee het buiten de stad op spoorlijnen verder kan rijden. Trams met alleen dieselmotoren zijn erg zeldzaam, de grens met dieseltreinstellen is erg vaag.

Een variant die heel populair was in de Verenigde Staten was de kabeltram. De tram werd aangedreven door een kabel die in een gleuf in het wegdek zat. De tram kon zich als het ware vastgrijpen aan deze kabel en zo verder rijden. Deze techniek wordt nog steeds gebruikt in San Francisco, en in het verleden bijvoorbeeld ook in Chicago.

In het begin van de twintigste eeuw waren er ook veel stoomtrams. Deze trams, die in Nederland voornamelijk werden ingezet op interlokale diensten, bestonden vaak uit een klein locomotiefje met daarachter rijtuigen. Naast kolengestookte trams kwamen er later ook trams die op olie gestookt werden. Rond die tijd was de op brandstof aangedreven motorwagen populair. De ondergang van dit soort trams begon rond de Tweede Wereldoorlog, toen brandstof erg schaars werd.

De tram is begonnen als variant van de door paarden getrokken koets. Het belangrijkste verschil met de koets was dat de tram op stalen rails reed. Doordat hierdoor de rolweerstand van het voertuig duidelijk verminderde, konden met hetzelfde aantal paarden grotere voertuigen met meer passagiers vervoerd werden.

Voertuigen

Net zoals de aandrijving van de trams heeft ook het tramvoertuig een ontwikkeling doorgemaakt.

Moderne trams zijn sinds de jaren 90 in West-Europa eigenlijk altijd gelede lagevloerstrams. Deze trams hebben een lage instap waardoor ze beter toegankelijk zijn voor de passagiers. Deze trams zijn heel wisselend van lengte. Er zijn korte varianten, maar ook langere varianten van meer dan vijftig meter. De trams zijn vaak modulair van opzet, zodat de fabrikant ze in verschillende lengtes kan verkopen. Een bijkomend voordeel is dat de trams achteraf nog verlengd kunnen worden.

De gelede tram bestond en bestaat ook in conventionele hogevloersvariant. Deze heeft in geheel West-Europa lange tijd het moderne trambeeld bepaald. Ook in alle Nederlandse steden hebben heel veel trams van dit type gereden of rijden ze nog steeds. De meest voorkomende varianten waren enkelgeleed of dubbelgeleed. Langere varianten hebben in Nederland niet bestaan, maar kwamen in Duitsland wel voor. Deze hogevloerstrams hadden conventionele onderstellen zoals deze bij alle spoorvoertuigen gebruikt werden, en werden vaak aangeduid door het aantal assen waaraan de wielen bevestigd waren. De onderstellen werden vaak als Jacobsdraaistel onder de geleding geplaatst. Daarnaast zat er ook nog een draaistel onder de voorste en achterste bak.

Voor de introductie van de gelede tram deden er voornamelijk twee- en vierassers dienst. Een tram bestond dan uit een of meerdere voertuigen die aan elkaar gekoppeld waren. Niet al deze voertuigen waren ook aangedreven, veel van deze aanhangers werden meegesleept door de tram die voorop reed. De vierasser is geperfectioneerd in de PCC-tram. Dit type tram, ontwikkeld in de Verenigde Staten, heeft een zeer belangrijke rol gespeeld in de internationale tramgeschiedenis. In Nederland in Den Haag, in België en in volledig Oost-Europa heeft dit type tram, of een model ontwikkeld op basis van een PCC-licentie de ontwikkeling van de tramgeschiedenis beheerst. De Oost-Europese variant van de PCC, de ČKD Tatra T3 en T4, is in totaal zelfs zo'n 17.000 keer uit de fabriek gerold, en daarmee het meest gebouwde tramvoertuig ooit.

Lijnvoering

Sinds de jaren 30 worden steeds meer tramlijnen aangelegd op een vrije baan. Dat kan in combinatie met een busbaan zijn, in het midden van de weg, of op een vrije baan. Een populaire variant is de trambaan in gras. Zo wordt de trambaan niet als een hindernis gezien maar als een aanvulling op de openbare ruimte. In de loop van de tijd zijn de vrije banen aangepast voor bredere en langere trams. In sommige gevallen worden deze trambanen nu gebruikt voor sneltrams.

Tramlijnen kunnen echter ook gebruik maken van rails die in de weg gelegen is, of rails gelegen op viaducten of tunnels gescheiden van overig verkeer. Dit kan soms als voorzet gebruikt worden voor een latere verbouwing naar een volwaardige metro, zoals in het verleden gebeurd is in Brussel.

Netwerken

Trams in Nederland

Buitenland